zondag 5 december 2010

De sneeuwman

De sneeuwman
Een vertelling van Hans Christian Andersen over vergankelijkheid
De sneeuwman"Het kraakt in me, zo lekker koud is het!" zei de sneeuwman. "De wind kan zo bijten dat er leven in je komt. En wat staart dat starende ding daar!" Hij bedoelde de zon, die net onder aan het gaan was. "Die krijgt me heus niet aan het knipperen, ik hou alle stukjes en beetjes wel bij elkaar." Hij had twee driehoekige stukjes dakpan als ogen. Zijn mond was een brokstuk van een oude hark, daarom had hij ook tanden.

Hij was geboren onder hoerageroep van de jongens, begroet door de klank van belletjes en het klappen van de zweep van sleeën.

De zon ging onder, de volle maan kwam op, rond en groot, helder en mooi aan de blauwe hemel. "Daar heb je haar weer van een andere kant," zei de sneeuwman. Hij dacht dat de zon weer te voorschijn kwam. "Ik heb haar het staren afgeleerd. Ze mag wel licht blijven geven, want dan kan ik mezelf zien. Als ik maar wist wat je moest doen om van je plaats te komen. Ik wil zo graag van mijn plaats komen. Als ik dat kon, zou ik op het ijs gaan glijden, zoals ik de jongens heb zien doen; maar ik kan niet hardlopen."

"Weg, weg!" kefte de oude kettinghond. Hij was een beetje hees, al sinds hij kamerhond was geweest en bij de kachel had gelegen. "De zon zal je wel leren hardlopen. Dat heb ik vorig jaar aan je voorganger gezien en ook aan zijn voorganger. Weg, weg zijn ze allemaal."

"Ik begrijp je niet, vriend," zei de sneeuwman. "Moet dat ding daarboven me leren hardlopen?" Hij bedoelde de maan. "Ze liep daarnet inderdaad hard weg, toen ik strak naar haar keek, maar nu komt ze van een andere kant weer aansluipen."

"Jij weet ook niets," zei de kettinghond, "maar je bent ook nog maar net in elkaar gezet. Wat je nu ziet, wordt maan genoemd, maar wat wegging, was de zon. Die komt morgen weer en die zal je wel leren lopen, recht de sloot in. We krijgen gauw een weersverandering, dat merk ik aan mijn linkerachterpoot, die trekt. Er is ander weer op til."

"Ik begrijp hem niet," zei de sneeuwman, "maar ik heb het gevoel dat hij iets onaangenaams zegt. Maar die ene die stond te staren en toen onderging en die hij zon noemt, dat was ook geen vriendin van me, daar heb ik zo'n gevoel van."

"Weg, weg," zei de kettinghond, liep drie rondjes om zichzelf heen en ging toen zijn hok in om te slapen. Er kwam echt ander weer aan. In de ochtend bedekte een dichte, klamme mist het hele gebied.

Toen het licht werd, ging het waaien en de wind was ijzig koud. De vorst nam bezit van alles. Maar wat een schouwspel toen de zon opkwam! Alle bomen en struiken waren bedekt met rijp; het leek wel een bos vol witte koralen, het leek alsof alle takken met stralend witte bloemen waren bedekt. De oneindig vele, fijne vertakkingen, die je 's zomers door de bladeren niet kunt zien, kwamen nu één voor één te voorschijn. Het leek wel kant, zo stralend wit alsof er uit iedere tak een witte glans straalde. De treurberk bewoog in de wind, er zat leven in, net als in de bomen 's zomers. Wat een weergaloze pracht! En toen de zon ging schijnen, o, wat fonkelde alles, alsof het met diamantstof was bestrooid. Grote diamanten glinsterden op de sneeuwlaag op de grond. Je kon ook denken dat er ontelbare kaarsjes brandden, nog witter dan de witte sneeuw zelf.

"Wat een weergaloze pracht," zei een jong meisje dat samen met een jonge man de tuin inkwam en precies bij de sneeuwman bleef staan om naar de schitterende bomen te kijken. "Zo mooi is het in de zomer niet," zei ze en haar ogen straalden. "En zo'n type heb je dan al helemaal niet," zei de jonge man en hij wees naar de sneeuwman. "Dat is een mooie!" Het jonge meisje lachte, knikte naar de sneeuwman en danste toen met haar vriend over de sneeuw, die onder hun voeten kraakte alsof ze over stijfsel liepen.

"Wie waren dat, die twee?" vroeg de sneeuwman aan de kettinghond. "Jij bent hier langer dan ik; ken jij ze?"

"Zeker," antwoordde de kettinghond. "Die heeft me nog geaaid en me een been gegeven om op te knagen. Die bijt ik heus niet!"

"Maar wat moeten ze nu voorstellen?" vroeg de sneeuwman.

"Geliefden!" gromde de kettinghond. "Die gaan samen in een hok wonen en aan één been knagen. Weg, weg!"

"Hebben die twee evenveel te zeggen als jij en ik?" vroeg de sneeuwman.

"Die horen bij de bazen," zei de kettinghond. "Je weet inderdaad echt weinig, als je van gisteren bent. Dat merk ik aan jou. Ik heb de leeftijd des verstands bereikt, ik ken iedereen hier op het landgoed. En ik heb tijden meegemaakt dat ik niet in de kou aan de ketting stond. Weg, weg!" "

"De kou is heerlijk!" zei de sneeuwman. "Vertel nou, maar niet met je ketting rammelen, want dan ratelt het in me!"

"Weg, weg," kefte de kettinghond. "Een welp ben ik geweest, heel snoezig, zeiden ze, toen ik binnen in het landhuis op een fluwelen kussen lag, of op schoot bij de grote baas; toen ik werd gezoend en mijn pootjes met een geborduurd zakdoekje werden afgeveegd. Ze noemden me 'knuffeltje' en 'honneponnetje', maar toen werd ik hun te groot en gaven ze me aan de huishoudster. Zo kwam ik in de kelder terecht. Je kunt er naar binnen kijken, vanwaar je staat. Je kijkt recht in de kamer waar ik de baas ben geweest, want dat was ik bij de huishoudster. Het was weliswaar niet zo deftig als boven, maar wel lekkerder. Ik werd niet geknuffeld en door de kinderen rondgesleept, zoals boven. Ik had even goed te eten als eerst en veel meer. Ik had een eigen kussen en er was een kachel en dat is in deze tijd het heerlijkste dat er is! Ik kroop er helemaal onder, zodat ik weg was. Van die kachel droom ik nog steeds. Weg, weg!"

"Ziet een kachel er zo mooi uit?" vroeg de sneeuwman. "Lijkt ze op mij?"

"Ze is precies het tegenovergestelde van jou! Pikzwart is ze. Ze heeft een lange hals van koper. Ze eet brandhout, tot de vlammen ervan uit haar mond slaan. Je moet ernaast gaan liggen of er vlak onder, eindeloos lekker is dat! Je moet haar door het raam kunnen zien, waar jij staat!"

De sneeuwman keek en zag inderdaad een zwart glimmend ding staan met een koperen trommel. Het vuur vlamde op door het ruitje. Het werd de sneeuwman heel vreemd te moede. Hij had een gevoel dat hij zelf niet helemaal begreep. Er kwam iets over hem wat hij niet kende, maar wat de mensen wel kennen, als ze niet van ijs zijn.

"Waarom heb je haar verlaten?" vroeg de sneeuwman. Hij voelde dat ze van het vrouwelijk geslacht was. "Hoe kon je zo'n plek verlaten?"

"Ik moest wel," zei de kettinghond. "Ze hebben me eruit gegooid en me hier aan de ketting gelegd. Ik had de jongste jonker in zijn been gebeten, want hij had het been van me afgepakt waar ik op aan het knagen was. Been om been, vind ik. Maar dat namen ze me kwalijk en vanaf die dag sta ik aan de ketting en ben ik mijn heldere stem kwijt. Luister maar hoe hees ik ben. Weg, weg, zo liep dat af."

De sneeuwman luisterde al niet meer. Hij keek maar steeds bij de huishoudster de kelder in, haar kamer in, waar de kachel op haar vier ijzeren poten stond, net zo groot als de sneeuwman zelf. "Het kraakt zo raar in me," zei hij. "Zou ik daar ooit binnen mogen? Dat is toch een onschuldige wens en onze onschuldige wensen moeten toch in vervulling kunnen gaan. Het is mijn hoogste wens, mijn enige wens en het zou bijna onrechtvaardig zijn als die niet in vervulling ging. Ik moet naar binnen, ik moet tegen haar aanleunen, al moet ik het raam ervoor inslaan."

"Jij komt daar nooit binnen," zei de kettinghond, "en als je bij de kachel kwam, dan was je weg, weg!"

"Ik ben al zo goed als weg," zei de sneeuwman, "ik geloof dat ik breek!" De hele dag stond de sneeuwman naar binnen te kijken. In de schemering zag de kamer er nog uitnodigender uit. Er kwam zo'n zacht schijnsel van de kachel, zo zacht als de maan niet kan schijnen en ook de zon niet, zoals alleen kachels kunnen schijnen, als er iets in zit. Als de deur openging, schoot de vlam op, dat was zo haar gewoonte. Er kwam een blos op het witte gezicht van de sneeuwman. Er kwam ook een rode gloed op zijn borst. "Ik hou het niet uit!" zei hij. "Dat tong uitsteken staat haar zo goed!"

De nacht was heel lang, maar niet voor de sneeuwman. Die stond in zijn eigen, mooie gedachten verzonken en die vroren dat ze kraakten.

's Morgens waren de kelderramen dichtgevroren. Er stonden de mooiste ijsbloemen op die een sneeuwman maar kon verlangen, maar ze onttrokken de kachel aan het oog. De ramen wilden maar niet ontdooien, hij zag haar niet. Het kraakte en het piepte, echt van die vorst die een sneeuwman plezier zou moeten doen, maar hij had geen plezier. Hij had zich gelukkig kunnen en moeten voelen, maar hij was niet gelukkig, hij had kachelverlangen.

"Wat een erge ziekte voor een sneeuwman," zei de kettinghond. "Daar heb ik ook aan geleden, maar ik ben eroverheen gekomen, weg, weg! Er komt ander weer aan."

En er kwam ander weer aan. Het ging dooien.

De dooi nam toe en de sneeuwman nam af. Hij zei niets, hij klaagde niet en dat is een veeg teken.

Op een ochtend viel hij om. Er stak een soort bezemsteel de lucht in op de plek waar hij had gestaan; daar hadden de jongens hem omheen gebouwd. "Nu begrijp ik zijn verlangen," zei de kettinghond. "De sneeuwman had een kachelschraper in zijn lijf. Die heeft zich in hem bewogen. Maar nu is het voorbij. Weg, weg!"

Algauw was ook de winter voorbij. "Weg, weg!" kefte de kettinghond, maar de meisjes op het landgoed zongen:
"Sneeuwklokje, fris en kuis,
ontspring,
Trek, wilg, je wollen wantjes aan.
Kom koekoek, leeuwerik, en zing,
Het voorjaar komt er nu al aan.
Ook ik zing mee, koekoek,
wiedewiet!
Kom zonnetje, zing ook je lied!"
En nu denkt niemand meer aan de sneeuwman.